Willem Van Saeftinghe was een lekebroeder in de abdij van Ter Doest (cisterciënzers). Als dappere en sterke kerel nam hij deel aan de Guldensporenslag op 11 juli 1302.

Naar de getuigenis van kroniekschrijver Lodewijk van Velthem, was hij het die Robert de Chatillon of Robert van Artois, de algemene leider van het Franse ridderleger, neervelde. In 1308 kreeg hij ruzie met zijn kloosteroverheid, waarbij hij de opzichter van de voorraadkamer en wijnkelder doodde en de abt verwondde. Hij nam de vlucht en vond een schuilplaats in de toren van Lissewege, waar hij door zijn vroegere wapenbroeders Jan Breydel en Pieter de Coninck bevrijd werd.

Hij werd in de ban van de kerk geslagen, waarop hij naar Rome trok om vergiffenis te vragen. Dit werd hem toegestaan op voorwaarde dat hij lid werd van de orde van de hospitaalridders van Sint-Jan en naar het Heilige Land ging om de Islam te bevechten. Hij keerde echter naar Vlaanderen terug. Daar werd hij opnieuw in de ban van de Kerk geslagen.
 
Daarna verdwijnt hij, om het op zijn Rodenbachs te zeggen, in de nevelene der tijden en weten wij niets meer over hem.
Over hem en zijn heldendaad in Kortrijk is wel tijdens onze eeuw een lied gemaakt: Juthe vooruit en dapper (...). 't Was Willem die uit 't klooster van ter Doest ... (tweede strofe).